Elke noot die we zongen, elke letter die we schreven. Steeds meer kringen onder honderdduizend sterren. Met een onbekende gozer. Ik ben milder. Terug. Komen weer samen. Maar een slechte start wil niet altijd zeggen dat. En de zon altijd schijnt. Een herinnering vooraf, de herinnering aan jou. Je bent niet alleen. Maar men weet het niet. En wat ermee te doen. Kom drinken, kom vrijen. Geef me de kleur van je hartstocht. Tussen alle korrels zand.
Je ziet me. Adem in. Misschien tot morgen. Die alles weglacht en altijd wegloopt. Watermakers. Dat je niet zou komen of voorbij zou gaan aan mij. En ik moet iedere dag. Dat ik altijd blijven zal. Niet moedig en niet bang. Alarmfase twee is hier nauwelijks nog berucht. Een andere keer. Soms ook geliefden van elkaar. Worden gebracht. Maar het touw was niet zo stevig. En als een dubbeldekker bus ons te pletter kust. Kopie van de zon schijnt me recht in het gezicht. Alles kwijt en alles over doen. Loop langzaam van me weg. Een woord een woord. Je bent niet alleen.
Sla ze snel maar neer. En de hemel is de aarde. Zonder iets te zeggen. En dat ik dan echt vrij zou zijn. Als dit alles over is. Toen mijn koningin nog een klein prinsesje was. O, je blijft dichtbij.
Ik ben bijna waar ik zijn moet. Wel dat ze terugneemt wat ze gaf. Maar dat wil niet zeggen dat. Wie legt me uit hoe alles werkt. Ik praat. Ben ik al m’n sleutels kwijt. Brengt ons bij elkaar. Ik kijk mij aan. Eindelijk onbedekt. Aan iedereen. En een hart dat schreeuwend zweeg. Een engel blijf je toch.
We verwachtten niets, maar toch. Maar het lijkt of ik mezelf al niet meer ken. Zeven nachten lang op zoek naar jou. Je weet, dat je tijd niet kunt stoppen. Al lijkt de nacht zo lang. Waar de dingen zijn. Hoe lang. Van wat ik wil. Zolang er hoop is. Misschien tot morgen. Moeilijk dood. Van pissen `s morgens vroeg. Alsof elke vorm van uitleg. Bijna op mijn plaats. Werd al zwoeler en je zwaaide. Weerloos. Die steeds breder en voller stromen. En weet je. Hou vol, hou vast. Ik neem de bus naar huis.