Bløfsum

Ze hoopt dat dan de lente aan komt waaien. Ben ik bekend, of een vreemdeling misschien. Eén stap verder, twee terug. Laag bij de grond. Ik zag de stille schepen zo vaak traag aan mij voorbijgaan. Moeilijk dood. Er loopt een hele diepe ziel. De vraag is zelden wie er schuld heeft en wie niet. Eindelijk onbedekt. Laag bij de grond. Want ze maken mij wel wakker. Dat ze nooit een dag als deze. Zo maar vastgelegd. In het dal van mijn geloof. Niets is wat het lijkt, dus raak niet in de war. Dit is het einde. Links het land en rechts de zee. O, er zijn nog zoveel mensen. Ik wil je laten weten hoe het voelt om vrij te zijn.

Een dorst naar anders avontuur. Het geeft niet, zolang het maar rust brengt. Twee voor de mijne. Jij loopt nog niet zo hard. Naar dat ene cadeau. Moeilijk dood. Bij de kruising sta ik stil. Als het er op aan komt. Als je strakt vertrekt. Ik durf te kijken in het donker. De huiverende roezen. Bewaar niets meer van toen. Leen ons je longen. Ga niet weg, maar blijf nog even. Dan ga ik hier weg. Alles is liefde. In je dagboek en je schriften. Gekeerd. En ik zo licht, en jij. Ik zet een punt achter alles wat is mis gegaan.

Twee koude handen op mijn lijf. Wie verwacht er ook dat alles ooit zo groot kan zijn. Of we bidden of we vloeken. En de grond veranderd nooit. Van veraf was het zo mooi. Blijf zoals nu. En alles was er klaar voor. Gebruikte koffiefilters.

En ik wil alleen maar. Zou je janken, zou je vloeken. Omdat ik wou dat ik bestond. Dan nog zou ik niet weten. Je bent vrij. Zachtjes zingen bij jou. Wees dan stil. Zonder moeder, zonder vader. Bescherm je mij. Dat het vreemder is dan dromen. Een wens blijft maar een wens. Aan uit.

Je kunt alles voor me zijn, mijn engel van plezier. De oude foto's zijn verkleurd. Dus doe het niet meer. Met een jagende pas. Meer van jou, kruip onder m'n huid en blijf daar. En met elkaar oneens. Dat niets zo mooi en eenzaam is. Ben ik al m’n sleutels kwijt. Nu we plotseling beseffen dat wij onszelf niet zijn.

Vernieuwen