Bløfsum

En mijn gouden ring. Doet veel te veel pijn. Met elke zon die opkomt. Als ik op de trein stap ga ik nergens heen. Ze komen steeds weer bij ons terug. Neem alleen mee wat je dragen moet en waar je. Word ik sterker aangetrokken. Twijfel niet, kijk door me heen, onze zielen zijn al oud. En het maakt niet uit hoelang. Dus ik ga gewoon naar bed. Ik ben er klaar voor. Om het beste dat je in je had aan iedereen te laten zien. In de bus naar huis. Maar ze kunnen je niet dwingen. Dus ik ga gewoon naar bed.

In een felgekleurde tuin onder de boom. Adem in. Zolang er hoop is. Ben ik klaar voor overgave. Zolang je ze gelooft. Dat je ergens heel even op me wachtte. Alles lijkt eenvoudig. In de frisse buitenlucht. Alsof ik altijd maar moet weten wat jij denkt. Het geld dat rinkelt in mijn zak. Ik bouwde bruggen van steen. Ik wil weten dat ik leef. En vol in het hart. Maar niets echt zeker weet. Want je denkt nooit aan een eind. En de bomen stonden scheef. Adem in. Leen ons je slag.

Opgaan in de rook. Doe dan net alsof we halverwege zijn. Je verandert de dag en je verandert veel meer. In oceanen. Voel je de adem. Hoe lang blijf je nog hier. Jij wist zeker dat er ooit. Laat zich niet vasthouden. Ze was een diamant. Maar ooit gaat het toch stuk. Hartenvrouw valt zachtjes neer voor mij. Kom hierheen. En elke dag onzeker. Ik ben in gedachten. Loop je geluk niet voorbij. Ze koopt haar bloemen zelf. Doe je jas uit. De man die ik ben. Boven het vlakke land trilt stil de warme lucht.

Streep mijn naam maar weg. Wat ik niet al had gezegd. Alsof je nooit bestaan had. En ik staar maar naar mijn schoenen. Je telt niet meer de dagen. En te zien dat het goed is, ziet dat we bruisen. Alleen een man van steen daar binnen. Bewaar me maar niet voor de twijfel en de spijt. Een ingewijde die niets loslaat. Echt een mens te kunnen zijn. En de zoete zekerheid. Tegen het mijne ligt. Tot we gaan slapen. Je had nog mooier mogen worden maar je kon het niet. Maar het is beter als je voelt. En jij weet wat ik verstop.

(hou me maar vast). Om elkaar heen. Maar ik vergeet nooit meer. Als een omgevallen toren. Door de dingen om me heen. Het ooit te zullen geven. Jij die lijmt wat ik heb stukgemaakt. En het maakt niet uit hoelang en waarnaartoe. Maar ach het is al laat. Mijn ketting hangt te branden om je hals. Het wordt mooier en echter en groter en beter. Ik zeil door de nacht heen met mezelf als kompas. Ik was daar en ik ben hier.

Vernieuwen